Selma Dronkers

 

 Tekst geschreven door Nico Huijbregts pianist, componist en beeldend kunstenaar.

De tekst is geschreven vanuit zijn visie op het werk: tijdens een aantal atelierbezoeken waarbij hij alleen was met de werken en in zijn studio nog verfijnd en verdiept.

 

Kiemcel en kosmos

bij het werk van Selma Dronkers

 

Vooraf aan het atelierbezoek geeft Selma me een voorzichtige waarschuwing: ‘Dat er tekeningen aan de muur hangen wil niet zeggen dat ze af zijn’ – maar wanneer ik omringd ben door haar werk blijkt ‘af’ al snel een hachelijk begrip.

Aan een muur hangen frêle en fijnzinnige potloodtekeningen. Aan een andere muur stellige tekeningen gemaakt met blauwe verfstiften. Rondom mij, hoog aan de wanden, hangen talloze foto’s op briefkaartformaat van luchten, hier leeg, daar met machtige wolkenpartijen. En op een van de tafels liggen tekeningen van soms nauwelijks zichtbare, dicht op elkaar geplaatste verticale kleurpotloodlijnen.

Soms is een vel papier tot aan de randen volgetekend met krasjes en vlekjes. Soms ook blijven er stukjes en stukken wit uitgespaard: gaten van licht die nu eens opkomen, dan weer in de diepte verdwijnen.

Deze tekeningen en foto’s dwingen mij onmiddellijk mijn eigen perspectief te bevragen: waar sta ik als ik kijk naar al deze werken? Kijk ik naar iets dat als door een microscoop extreem vergroot is, openbaart de kunstenaar met deze werken een werkelijkheid die het blote oog nooit kan waarnemen – of: zweef ik als een vogel honderden kilometers boven landschappen van welke de details van menselijke maat verdwijnen en opgaan in grotere overweldigende structuren en vormen?

De microscoopblik maakt dat alles dat aan zo’n tekening te zien is zich naar binnen toe, a.h.w. in het papier beweegt, niet snel maar op een vertragende manier. De blik van de vogel daarentegen maakt dat dit alles zich expansief buiten de grenzen van het papier uitbreidt, alsof je kijkt in de kern van een explosie die op exact dit moment losbarst en waarvan je de enorme wervelingen buiten de vier zijden van het papier welhaast moet volgen.

Deze werken, hoewel natuurlijk begrensd door de rechthoekige en soms vierkante formaten van het papier, dulden geen grenzen. Hun optische zichtbaarheid gaat gepaard aan hun even belangrijke onzichtbare voortzetting, ver naar binnen, of juist ver naar buiten toe.

Je zou het kunnen vergelijken met het kijken naar iemand: alles wat hij of zij is, is een optelsom van wat je ziet en dat wat je niet ziet, d.i. de resonanties die deze persoon oproept zowel in jouzelf als in de werkelijkheid en de tijd die ver buiten deze persoon liggen.

Kijk ik naar al deze tekeningen, dan gebeurt mij hetzelfde: wat ze mij tonen, hun stoffelijke beeltenis, resoneert zoals geluid en licht in een ruimte of lichaam resoneren. En niet alleen de tekeningen, ook de snapshots van wolken weten dit te bewerkstelligen: een klein stukje lucht wordt door de camera steeds heel dichtbij gehaald. Onmiddellijk weken deze foto’s het landschap en de situatie in je geest los die bij precies dit stukje lucht hoort en zonder moeite plaats je jezelf onder dit fragment hemel. Hier laat je je de koelte welgevallen. Daar zet je je schrap tegen de wind. En hier geef je je lui over aan de hitte. Daar weer verberg je je diep in je jas tegen de kou. Ieder stukje lucht komt zo dicht op je huid. Maar tegelijkertijd ook bevindt het zich op grote afstand van je: immens is het luchtruim, onmogelijk dat jij, nietig wezen, het in zijn geheel ooit kan omarmen.

Met een grote precisie wordt deze wereld van cel en kosmos trefzeker verbeeld in de tekeningen: er lijkt geen krasje of vlekje of vorm verkeerd gezet. Nergens een voorzichtige schetslijn te zien. Nergens een teken van wegpoetsen of gummen. Eén lijntje, of één vlekje, of één krasje, of één veeg lijkt aan het begin van iedere tekening neergezet als was het een eerste kiemcel. Dan deelt deze zich, in weer zo’n lijntje, zo’n vlekje, krasje of veeg. Het bedachtzame oog van de kunstenaar stuurt de hand en celdeling na celdeling groeit het werk als een levend organisme. En ook al komt er bij ieder afzonderlijke tekening het moment waarop de kunstenaar dit organische groeiproces staakt, en dus het begrip ‘af’ zich aandient, zodra een ander, ik of jij, een blik op één werk werpt, deelt zich iedere cel weer verder.

En ook al oogt iedere handeling in dit werk even raak, het zetten van die lijn, die vlek, of die kras, legt slechts een zoveelste fractie bloot van een groter geheel dat steeds verder ontrafeld wordt: de kunstenaar zet deze affe middelen in juist om iets te verbeelden dat zijn voleinding nog lang niet nabij is, misschien in wezen wel altijd onaf zal blijven.

Hoewel alle werken een trage naar binnen gekeerde beweging ofwel onrustige expansie in zich dragen, is de beweging in de potloodtekeningen veel meer verstild dan in de blauwwitte werken met verfstift: de krijtachtig blauwe kleurvlakken en het harde wit van de uitsparingen daar vormen onderling een scherp contrast en zijn op die manier veel meer opdringerig. Het is alsof hier steeds weer een moment van de oerknal wordt weergegeven, terwijl in de potloodtekeningen met hun zachte grijstonen we veeleer naar de natrillingen ervan kijken.

Op een van de tafels in het atelier liggen een aantal kleinere potloodtekeningen, ditmaal in kleur. Allemaal laten ze hetzelfde zien: verticale smalle lijnen pal naast elkaar geplaatst. En dat in die typische kleurpotloodkleuren die nooit in staat zijn om hard, scherp of schreeuwerig zich aan ons op te dringen. Ieder geel of roze of blauw of groen blijft altijd zacht fluisteren, hoe hard je er ook mee zou krassen. Zo, in verschillende schakeringen naast elkaar, vormen ze soms een stil verloop van licht dat eindeloos door kan trillen, soms ook maken ze contrastrijker maar nog steeds gedempt rechthoekige vlakken, duidelijk afgebakend. Waar het overige werk opvalt door een beheerste en gecontroleerde grilligheid, is hier opnieuw diezelfde controle en bedachtzaamheid te zien maar nu toegepast op een nog verder geïsoleerd deel van de werkelijkheid: het licht. Nauwgezet zijn alle kleurlijnen in gelijke lengte naast elkaar gezet, maar statisch is hun voorkomen allerminst. De lichtvlakken die deze verticale lijnen oproepen zweven boven hun drager en veroorzaken opnieuw dat wat mij tijdens het kijken naar het andere werk steeds overkwam: nu eens wordt je blik naar binnen getrokken, als in de kleinste kern die de complete wereld van de kunstenaar bevat, dan weer word je meegenomen in de herhaling die deze vlakken licht suggereren: alsof ze zich onbeperkt zullen voortplanten buiten de grenzen van het papier waarvan ze los lijken te komen.

Omdat ik deze tekeningen zie ligt het erg voor de hand om de nadruk te leggen op het licht – maar net zo nadrukkelijk als het visuele dringt zich tijdens het kijken naar dit werk bij mij voortdurend het hoorbare op: in de blauwe verfstifttekeningen de oerknal, in de zachtgrijze potloodtekeningen de resonanties daarvan in de ruimte en de tijd, en tot slot: in deze kleurpotloodtekeningen de opheffing van tijd en ruimte: ik staar hier naar een eindeloze grondtoon waarin alles tot rust weerkeert.

Maart 2016


Waarnemen op zee

Door Casper ter Heerdt

One's destination is never a place but a new way of seeing things' - Henry Miller.

Lang geleden treinde ik tussen Zwolle en Deventer. Ik zat in die trein, in gedachten.
Op een gegeven moment realiseerde ik mij dat er mensen naast mij zaten.
Er ontstond een gedachte aan anderen en ik, samen in een coupé.
Weer even later besefte ik dat die coupé deel van een treinstel is, deel van een trein.
Ik voelde de beweging van de trein en zag het landschap in het venster aan mij voorbij trekken. Toen zag ik even, als een vogel, de trein, met alle passagiers en mij er in, over de spoorbaan razen, door het landschap, de provincie, het land, Europa en de wereld.

Ik eindigde, in een moment van overzicht, in gedachten, in het heelal.

Een half jaar voor deze treinreis woonde ik enige tijd in Italië. Daar had ik ervaren dat ik anders kijken en ervaren kon. Ik was er voor het eerst en alles wat ik zag, zoals elke verandering in het voorjaar, was een sensatie, die ik onbevangen waar kon nemen. Kijken werd daardoor meer dan registreren; het werd een ervaring die mij als jonge kunstenaar deed realiseren dat dit diepere zien kunnen verbeelden een andere betekenis aan kunst geeft dan een pure, droge registratie. Daar begon mijn echte oefening in het waarnemen.

Deze dagelijkse geconcentreerde oefening in de waarneming is, net als meditatie, een oefening in bewustwording. Oefenen is dan naast een weg naar beheersing, ook een weg naar verdieping.
Hier, in het gewaar worden door waar te nemen, ontmoeten we Selma Dronkers.

Kijken om waar te nemen is een zintuigelijke ervaring. Bij het naar beeld vertalen van het waargenome begint dan al de eerste abstractie, omdat de keuze zich opdringt wàt je laat zien. De realiteit zelf is namelijk te immens.
Je kunt niet anders dan kiezen uit de oneindige hoeveelheid details.
Hier begint het abstraheren, in de letterlijke betekenis van ' afleiden van'. Daarbij blijft het de oefening om zonder concept te kijken en wellicht het nog ongeziene gewaar te worden.

Het zonder concept kijken combineerde Selma met een onderzoeksdrang die zich vertaalde in het experimenteren met materialen. Experimenteren dan wel in de oorspronkelijke zin van het woord; het uitproberen en proefondervindelijk leren kennen van het materiaal, met als doel de eigenschappen en het gedrag te ontdekken. Daar komt overigens een enorme speelsheid bij van pas.

Je materialen zo leren kennen betekent dan de mogelijkheden en beperkingen inzetbaar kunnen maken.
Het scheppen uit een vrijheid van geest vraagt tenslotte om ultieme middelen, om het detail en de nuance van wat zich aandient te kunnen vangen. De handeling zelf wordt dan van levensbelang.

Selma Dronkers onderzoekt in haar werk de ervaring van licht, beweging en ruimte, in zowel de fysieke, als de geestelijke zin van het woord. De ultieme plek om dit te ondervinden vond Selma letterlijk dobberend op zee.

Zee staat nooit stil, beweegt, heeft boven- en onderstromingen, stroomt in verschillende richtingen. Ook de hemel, wolken, wind en het licht veranderen er, terwijl je kijkt.

Vol op zee, als land uit zicht is, dan kijk je rondom naar de horizon. Daar, op die plek verandert je waarneming.
Als je wilt keer je daar terug naar het concept dat de aarde plat is, of je aanvaardt dat deze ruimte zonder einde is. Hier, in die eindeloze ruimte waar alles in beweging is zijn de dingen zoals ze zijn.
Als mens hier aanwezig zijn kan alleen als je meebeweegt.

Deze waarnemingen en gewaarwordingen vinden hun vertaling in groot formaat potloodtekeningen die minutieus opgebouwd zijn, laag over laag, uur na uur. Een monnikenwerk van begin tot einde. Elke lijn of punt lijkt direct doel te hebben getroffen.

Pas langzaam wordt helder wat je ziet; ruimte, licht, beweging, in lucht en water; stoffen zonder vaste vorm. Tekeningen die mij niet langer laten kijken naar het herkenbare perspectivische beeld van ruimte, licht en beweging. Zij laten een immense ruimte-ervaring zien, of doen juist een gedetailleerd verslag van slechts een klein deel van dit immense universum. Het is wonderlijk hoe minimalisme, oog voor detail en detaillering hier met elkaar optrekken.
Elk detail is een universum en het universum lijkt een detail; micro- en macrowaarneming worden inwisselbaar.

́One's destination is never a place but a new way of seeing things' zei Henry Miller.

Die bestemming, dichtbij te vinden en soms ver weg gevonden, laat zich zien. Daar waar de loop der dingen zijn beloop heeft, is het oorverdovend stil.

 

Casper ter Heerdt, mei 2017 

Selma Dronkers


 

 Tekst geschreven door Nico Huijbregts pianist, componist en beeldend kunstenaar.

De tekst is geschreven vanuit zijn visie op het werk: tijdens een aantal atelierbezoeken waarbij hij alleen was met de werken en in zijn studio nog verfijnd en verdiept.

 

Kiemcel en kosmos

bij het werk van Selma Dronkers

 

Vooraf aan het atelierbezoek geeft Selma me een voorzichtige waarschuwing: ‘Dat er tekeningen aan de muur hangen wil niet zeggen dat ze af zijn’ – maar wanneer ik omringd ben door haar werk blijkt ‘af’ al snel een hachelijk begrip.

Aan een muur hangen frêle en fijnzinnige potloodtekeningen. Aan een andere muur stellige tekeningen gemaakt met blauwe verfstiften. Rondom mij, hoog aan de wanden, hangen talloze foto’s op briefkaartformaat van luchten, hier leeg, daar met machtige wolkenpartijen. En op een van de tafels liggen tekeningen van soms nauwelijks zichtbare, dicht op elkaar geplaatste verticale kleurpotloodlijnen.

Soms is een vel papier tot aan de randen volgetekend met krasjes en vlekjes. Soms ook blijven er stukjes en stukken wit uitgespaard: gaten van licht die nu eens opkomen, dan weer in de diepte verdwijnen.

Deze tekeningen en foto’s dwingen mij onmiddellijk mijn eigen perspectief te bevragen: waar sta ik als ik kijk naar al deze werken? Kijk ik naar iets dat als door een microscoop extreem vergroot is, openbaart de kunstenaar met deze werken een werkelijkheid die het blote oog nooit kan waarnemen – of: zweef ik als een vogel honderden kilometers boven landschappen van welke de details van menselijke maat verdwijnen en opgaan in grotere overweldigende structuren en vormen?

De microscoopblik maakt dat alles dat aan zo’n tekening te zien is zich naar binnen toe, a.h.w. in het papier beweegt, niet snel maar op een vertragende manier. De blik van de vogel daarentegen maakt dat dit alles zich expansief buiten de grenzen van het papier uitbreidt, alsof je kijkt in de kern van een explosie die op exact dit moment losbarst en waarvan je de enorme wervelingen buiten de vier zijden van het papier welhaast moet volgen.

Deze werken, hoewel natuurlijk begrensd door de rechthoekige en soms vierkante formaten van het papier, dulden geen grenzen. Hun optische zichtbaarheid gaat gepaard aan hun even belangrijke onzichtbare voortzetting, ver naar binnen, of juist ver naar buiten toe.

Je zou het kunnen vergelijken met het kijken naar iemand: alles wat hij of zij is, is een optelsom van wat je ziet en dat wat je niet ziet, d.i. de resonanties die deze persoon oproept zowel in jouzelf als in de werkelijkheid en de tijd die ver buiten deze persoon liggen.

Kijk ik naar al deze tekeningen, dan gebeurt mij hetzelfde: wat ze mij tonen, hun stoffelijke beeltenis, resoneert zoals geluid en licht in een ruimte of lichaam resoneren. En niet alleen de tekeningen, ook de snapshots van wolken weten dit te bewerkstelligen: een klein stukje lucht wordt door de camera steeds heel dichtbij gehaald. Onmiddellijk weken deze foto’s het landschap en de situatie in je geest los die bij precies dit stukje lucht hoort en zonder moeite plaats je jezelf onder dit fragment hemel. Hier laat je je de koelte welgevallen. Daar zet je je schrap tegen de wind. En hier geef je je lui over aan de hitte. Daar weer verberg je je diep in je jas tegen de kou. Ieder stukje lucht komt zo dicht op je huid. Maar tegelijkertijd ook bevindt het zich op grote afstand van je: immens is het luchtruim, onmogelijk dat jij, nietig wezen, het in zijn geheel ooit kan omarmen.

Met een grote precisie wordt deze wereld van cel en kosmos trefzeker verbeeld in de tekeningen: er lijkt geen krasje of vlekje of vorm verkeerd gezet. Nergens een voorzichtige schetslijn te zien. Nergens een teken van wegpoetsen of gummen. Eén lijntje, of één vlekje, of één krasje, of één veeg lijkt aan het begin van iedere tekening neergezet als was het een eerste kiemcel. Dan deelt deze zich, in weer zo’n lijntje, zo’n vlekje, krasje of veeg. Het bedachtzame oog van de kunstenaar stuurt de hand en celdeling na celdeling groeit het werk als een levend organisme. En ook al komt er bij ieder afzonderlijke tekening het moment waarop de kunstenaar dit organische groeiproces staakt, en dus het begrip ‘af’ zich aandient, zodra een ander, ik of jij, een blik op één werk werpt, deelt zich iedere cel weer verder.

En ook al oogt iedere handeling in dit werk even raak, het zetten van die lijn, die vlek, of die kras, legt slechts een zoveelste fractie bloot van een groter geheel dat steeds verder ontrafeld wordt: de kunstenaar zet deze affe middelen in juist om iets te verbeelden dat zijn voleinding nog lang niet nabij is, misschien in wezen wel altijd onaf zal blijven.

Hoewel alle werken een trage naar binnen gekeerde beweging ofwel onrustige expansie in zich dragen, is de beweging in de potloodtekeningen veel meer verstild dan in de blauwwitte werken met verfstift: de krijtachtig blauwe kleurvlakken en het harde wit van de uitsparingen daar vormen onderling een scherp contrast en zijn op die manier veel meer opdringerig. Het is alsof hier steeds weer een moment van de oerknal wordt weergegeven, terwijl in de potloodtekeningen met hun zachte grijstonen we veeleer naar de natrillingen ervan kijken.

Op een van de tafels in het atelier liggen een aantal kleinere potloodtekeningen, ditmaal in kleur. Allemaal laten ze hetzelfde zien: verticale smalle lijnen pal naast elkaar geplaatst. En dat in die typische kleurpotloodkleuren die nooit in staat zijn om hard, scherp of schreeuwerig zich aan ons op te dringen. Ieder geel of roze of blauw of groen blijft altijd zacht fluisteren, hoe hard je er ook mee zou krassen. Zo, in verschillende schakeringen naast elkaar, vormen ze soms een stil verloop van licht dat eindeloos door kan trillen, soms ook maken ze contrastrijker maar nog steeds gedempt rechthoekige vlakken, duidelijk afgebakend. Waar het overige werk opvalt door een beheerste en gecontroleerde grilligheid, is hier opnieuw diezelfde controle en bedachtzaamheid te zien maar nu toegepast op een nog verder geïsoleerd deel van de werkelijkheid: het licht. Nauwgezet zijn alle kleurlijnen in gelijke lengte naast elkaar gezet, maar statisch is hun voorkomen allerminst. De lichtvlakken die deze verticale lijnen oproepen zweven boven hun drager en veroorzaken opnieuw dat wat mij tijdens het kijken naar het andere werk steeds overkwam: nu eens wordt je blik naar binnen getrokken, als in de kleinste kern die de complete wereld van de kunstenaar bevat, dan weer word je meegenomen in de herhaling die deze vlakken licht suggereren: alsof ze zich onbeperkt zullen voortplanten buiten de grenzen van het papier waarvan ze los lijken te komen.

Omdat ik deze tekeningen zie ligt het erg voor de hand om de nadruk te leggen op het licht – maar net zo nadrukkelijk als het visuele dringt zich tijdens het kijken naar dit werk bij mij voortdurend het hoorbare op: in de blauwe verfstifttekeningen de oerknal, in de zachtgrijze potloodtekeningen de resonanties daarvan in de ruimte en de tijd, en tot slot: in deze kleurpotloodtekeningen de opheffing van tijd en ruimte: ik staar hier naar een eindeloze grondtoon waarin alles tot rust weerkeert.

Maart 2016


Waarnemen op zee

Door Casper ter Heerdt

One's destination is never a place but a new way of seeing things' - Henry Miller.

Lang geleden treinde ik tussen Zwolle en Deventer. Ik zat in die trein, in gedachten.
Op een gegeven moment realiseerde ik mij dat er mensen naast mij zaten.
Er ontstond een gedachte aan anderen en ik, samen in een coupé.
Weer even later besefte ik dat die coupé deel van een treinstel is, deel van een trein.
Ik voelde de beweging van de trein en zag het landschap in het venster aan mij voorbij trekken. Toen zag ik even, als een vogel, de trein, met alle passagiers en mij er in, over de spoorbaan razen, door het landschap, de provincie, het land, Europa en de wereld.

Ik eindigde, in een moment van overzicht, in gedachten, in het heelal.

Een half jaar voor deze treinreis woonde ik enige tijd in Italië. Daar had ik ervaren dat ik anders kijken en ervaren kon. Ik was er voor het eerst en alles wat ik zag, zoals elke verandering in het voorjaar, was een sensatie, die ik onbevangen waar kon nemen. Kijken werd daardoor meer dan registreren; het werd een ervaring die mij als jonge kunstenaar deed realiseren dat dit diepere zien kunnen verbeelden een andere betekenis aan kunst geeft dan een pure, droge registratie. Daar begon mijn echte oefening in het waarnemen.

Deze dagelijkse geconcentreerde oefening in de waarneming is, net als meditatie, een oefening in bewustwording. Oefenen is dan naast een weg naar beheersing, ook een weg naar verdieping.
Hier, in het gewaar worden door waar te nemen, ontmoeten we Selma Dronkers.

Kijken om waar te nemen is een zintuigelijke ervaring. Bij het naar beeld vertalen van het waargenome begint dan al de eerste abstractie, omdat de keuze zich opdringt wàt je laat zien. De realiteit zelf is namelijk te immens.
Je kunt niet anders dan kiezen uit de oneindige hoeveelheid details.
Hier begint het abstraheren, in de letterlijke betekenis van ' afleiden van'. Daarbij blijft het de oefening om zonder concept te kijken en wellicht het nog ongeziene gewaar te worden.

Het zonder concept kijken combineerde Selma met een onderzoeksdrang die zich vertaalde in het experimenteren met materialen. Experimenteren dan wel in de oorspronkelijke zin van het woord; het uitproberen en proefondervindelijk leren kennen van het materiaal, met als doel de eigenschappen en het gedrag te ontdekken. Daar komt overigens een enorme speelsheid bij van pas.

Je materialen zo leren kennen betekent dan de mogelijkheden en beperkingen inzetbaar kunnen maken.
Het scheppen uit een vrijheid van geest vraagt tenslotte om ultieme middelen, om het detail en de nuance van wat zich aandient te kunnen vangen. De handeling zelf wordt dan van levensbelang.

Selma Dronkers onderzoekt in haar werk de ervaring van licht, beweging en ruimte, in zowel de fysieke, als de geestelijke zin van het woord. De ultieme plek om dit te ondervinden vond Selma letterlijk dobberend op zee.

Zee staat nooit stil, beweegt, heeft boven- en onderstromingen, stroomt in verschillende richtingen. Ook de hemel, wolken, wind en het licht veranderen er, terwijl je kijkt.

Vol op zee, als land uit zicht is, dan kijk je rondom naar de horizon. Daar, op die plek verandert je waarneming.
Als je wilt keer je daar terug naar het concept dat de aarde plat is, of je aanvaardt dat deze ruimte zonder einde is. Hier, in die eindeloze ruimte waar alles in beweging is zijn de dingen zoals ze zijn.
Als mens hier aanwezig zijn kan alleen als je meebeweegt.

Deze waarnemingen en gewaarwordingen vinden hun vertaling in groot formaat potloodtekeningen die minutieus opgebouwd zijn, laag over laag, uur na uur. Een monnikenwerk van begin tot einde. Elke lijn of punt lijkt direct doel te hebben getroffen.

Pas langzaam wordt helder wat je ziet; ruimte, licht, beweging, in lucht en water; stoffen zonder vaste vorm. Tekeningen die mij niet langer laten kijken naar het herkenbare perspectivische beeld van ruimte, licht en beweging. Zij laten een immense ruimte-ervaring zien, of doen juist een gedetailleerd verslag van slechts een klein deel van dit immense universum. Het is wonderlijk hoe minimalisme, oog voor detail en detaillering hier met elkaar optrekken.
Elk detail is een universum en het universum lijkt een detail; micro- en macrowaarneming worden inwisselbaar.

́One's destination is never a place but a new way of seeing things' zei Henry Miller.

Die bestemming, dichtbij te vinden en soms ver weg gevonden, laat zich zien. Daar waar de loop der dingen zijn beloop heeft, is het oorverdovend stil.

 

Casper ter Heerdt, mei 2017